De eerste joden die zich aan het einde van de
16de eeuw in Amsterdam vestigden, waren afkomstig van het Iberisch
Schiereiland. In 1492 werden de joden in Spanje voor de keuze
gesteld: zich laten dopen of vertrekken. De verdrijving van de
joden en de moslims uit Spanje stond niet op zichzelf. De
aanwezigheid van de joden en de moslims werd door de Rooms
Katholieke Kerk als een bedreiging gezien. Joden en christenen
moesten van elkaar gescheiden worden.
Vele Spaanse joden vluchtten naar Portugal. In 1497 kwam met het
huwelijk van de Portugese koning Manuel met de Spaanse prinses
Isabella, niet voor niets bijgenaamd La Catholica, bijna een einde
aan het joodse leven in Portugal. De gehele joodse gemeenschap werd
onder dwang gedoopt. Ze werden voortaan nieuw-christenen genoemd.
De reden voor koning Manuel om de joden niet te verdrijven maar te
dopen was dat hij deze economisch zeer belangrijke groep niet kon
missen. Portugal was een belangrijke handelsmogendheid en de joden
vervulden een grote rol in de handel. Na hun gedwongen doop bleven
ze als nieuw-christenen deze functie vervullen in Portugal en in de
Portugese koloniën, maar ook in alle landen waarmee Portugal
handelsbetrekkingen onderhield. Omdat het instellen van de
Inquisitie in Portugal nog tot 1540 zou duren, konden de gedoopte
joden wegen vinden om toch met hun traditie verbonden te blijven.
Toen na de val van Antwerpen in 1585 deze stad weer onder Spaans
bewind kwam konden de Portugese joden zich daar niet meer veilig
voelen en kwamen naar Amsterdam. Portugese nieuw-christenen keerden
in Amsterdam, waar een tolerante houding ten opzichte van hen
heerste, terug tot het jodendom.